Jongeren in “virtual space”

Door:  Liesbeth Mulkers, Laura Strybol, Ayla Castelein, Eleonore Petit en Toke Oosterbos

 Als studenten, toekomstige leerkrachten en cultuur educators willen we infiltreren in de virtuele ruimte van jongeren. Dit wil niet zeggen dat we hun virtuele ruimte daadwerkelijk zullen binnentreden, maar we willen ze beter leren begrijpen zodat we ook in deze wereld kunnen helpen bij hun zelfontplooiing tot kritische jongvolwassenen. Het zou zonde zijn om ons niet te wagen in de virtuele wereld terwijl jongeren daar juist meer en meer tijd in doorbrengen.


In ‘Jongeren in virtuals space’ verkennen we de virtuele ruimte van jongeren en ontdekken we wat dit voor hen betekent. In de tweede longread ‘Onderwijzen en games in de virtual space van jongeren’ die binnenkort hier zal verschijnen, spitsen we ons toe op gaming en hoe we dit kunnen inzetten in het onderwijs.

Zelf spenderen we veel tijd in onze virtuele ruimte, ook voor het schrijven aan dit onderzoek. We schreven met vijf studenten samen in eenzelfde google.docs-document. Hierdoor moesten we niet fysiek in dezelfde ruimte aanwezig zijn en kon iedereen er elk moment aan verder schrijven. Dit onderzoek werd dus mede mogelijk gemaakt door de virtuele ruimte.

Wat verstaan we onder virtual space?

Door het toegankelijk maken van het internet voor het grote publiek in de jaren 90, werd een nieuwe wereld gecreëerd: de virtuele ruimte of virtual space. Deze ruimte is tot vandaag de dag niet meer weg te denken uit onze levens. Meer en meer mensen vinden hun weg in deze virtuele dimensie.

Jongeren vertoeven dikwijls in deze virtuele ruimte. Hierin kunnen we twee populaire platformen onderscheiden: sociale media en gaming. Onder sociale media kennen we onder andere sites als Twitter, Facebook, Instagram, … De gamewereld kunnen we algemeen onderverdelen in twee groepen, met elk drie subgroepen. Op vlak van de gebruikte hardware kunnen we pc-games, console games en mobiele games onderscheiden. De gebruikte software bepaalt dan weer het doel van games: Core Games (ontspannende games zoals League Of Legends), Casual Games (even tussendoor te spelen zoals kaartspelletjes) en Serious Games/Edugames (games met een educatief doel zoals Sharkworld).

Welke plaats neemt de virtuele ruimte in, in het leven van jongeren?

(boyd, d. 2014)

In It’s Complicated onderzocht danah boyd het sociale mediagebruik van Amerikaanse jongeren. In haar boek probeert boyd de vooroordelen over sociale media weg te werken door een inzicht te bieden vanuit het standpunt van jongeren zelf. De vele interviews en informele gesprekken met deze Amerikaanse jongeren verschaffen duidelijke en vaak – voor volwassenen – ongekende redenen tot het (soms overdadig) internetgebruik van de huidige jeugd. Jongeren worden niet aangetrokken tot de – door ouders vaak gehate – technologie, maar tot het sociale aspect online. Tieners vandaag de dag krijgen vaak de vrijheid niet om fysieke interactie te hebben met hun peers. De echte wereld wordt als een broedplaats van onheil en gevaren gezien, waardoor jongeren vaker thuis worden gehouden. Het is dus meer dan logisch dat ze zich tot de virtuele wereld wenden.

Online kunnen jongeren hun eigen identiteit ontwikkelen door de vele mogelijkheden tot communicatie. Jongeren chatten en houden contact met vrienden uit de echte wereld, maar ook met mensen die ze online ontmoeten. Het internet biedt de mogelijkheid om mensen met dezelfde interesses op een snelle en soms zelfs anonieme manier te vinden.

Deze aspecten kunnen we ook toepassen op gaming: spelers leren taakgericht samen te werken met andere spelers waarbij communicatie een grote rol speelt. Het ervaringsleren is een belangrijke factor in het gamen, maar ook in de maatschappij van morgen.

Hoe ervaren jongeren hun virtuele ruimte, hun virtual space?

Zoals eerder vermeld, draait de virtuele ruimte voor jongeren vooral om het sociale aspect. Iedereen maakt deel uit van verschillende netwerken. Die netwerken kunnen ook plaatsvinden in de virtuele ruimte, die in tegenstelling tot de fysieke ruimte tijdloos en grenzeloos is. De verspreidbaarheid van het internet wereldwijd creëert vele mogelijkheden tot interactie met gelijkdenkenden.

Naast het sociale aspect fungeert sociale media ook als uitlaatklep. Jongeren bevinden zich in een fase waarin ze het zorgeloos kind zijn achter zich hebben gelaten, maar tegelijkertijd nog geen volledige verantwoordelijkheden moeten opnemen. Via sociale media krijgen ze de kans zich te profileren door letterlijk een profiel aan te maken waarover zij de volledige controle hebben. Door middel van dit profiel kunnen ze zorgeloos experimenteren met directe feedback van hun peers binnen hun netwerk.

Geraadpleegde bronnen:

boyd, d. (2014). It’s Complicated: The Social Lives of Networked Teens. In d. boyd, It’s Complicated: The Social Networked Teens. Londen: Yale University Press.

Advertenties

Wat is de link tussen intellectuele isolatie en de filterbubbel bij jongeren?

Door: Jens De Wulf, Cato Cuyvers, Pauline Noest en Nina Tytgat

“We lijken op elkaar, we zijn het met elkaar eens, we bevestigen elkaar in wat we denken, willen en voelen. We leven met elkaar in dezelfde filterbubbel.”

Webbedrijven streven naar het aanpassen van hun diensten (inclusief nieuws en zoekresultaten) aan de persoonlijke smaak van hun publiek. Er hangt een gevaarlijk en onbedoeld gevolg aan vast: we komen vast te zitten in een zelfbevestigende omgeving en komen niet in contact met informatie die ons wereldbeeld ter discussie stelt en verbreedt. Er ontstaat intellectuele isolatie door een filterbubbel. Maar wat is een ‘filterbubbel’ en wat zijn de gevolgen?

Wat is een ‘filterbubbel’?

Het internet is een netwerk van miljoenen computers verspreid over heel de wereld die ons allemaal verbindt. Het is een geweldige uitvinding voor onze samenleving dat onder andere ook de democratie zou kunnen verbeteren. Heden is er een verschuiving merkbaar in de manier waarop informatie online stroomt en het is onzichtbaar geworden. De Facebook-pagina is bijvoorbeeld een plaats waar de meeste mensen heel veel tijd besteden, hier komt het fenomeen duidelijk voor. Via deze weg proberen jongeren op de hoogte te blijven van allerlei politieke standpunten, wendingen en uitspraken. Al deze jongeren hebben niet altijd dezelfde meningen en zullen vaak in discussie treden met elkaar. Op die manier leren ze ook van elkaar. Maar wat als je op een dag de berichten van de tegenpartij niet meer ziet op je tijdlijn? Facebook houdt bij op welke links je liket, waarop je reageert en zelfs hoe lang je een post bekijkt. Je hecht logischerwijs meer tijd en aandacht aan een politieke partij waarin jij het meeste geïnteresseerd bent. Dit heeft als gevolg dat, zonder je er bewust van bent, alle andere links gewist worden.

Volgens Sanne Kruikemeier, universitair docent Politieke Communicatie aan de Universiteit van Amsterdam, stellen mensen los van het internet zich vaak alleen maar bloot aan informatie die in één lijn ligt met wat zij vinden. Mensen bekijken informatie steeds vanuit een bepaald perspectief. Het internet kan juist een deur openen om toch in aanraking te komen met andere meningen. Algoritmes steken hier echter een stokje voor. Het zijn een aantal berekeningen om het bijhorende doel te bereiken, maar jij krijgt enkel het eindresultaat te zien. Zij, niet jijzelf, bepalen wat we online te zien krijgen. Het hele internet maakt gebruik van algoritmes. Deze algoritmes filteren de informatie op basis van het liken, delen en reageren van de gebruikers. Je leest steeds meer over wie jij zelf bent, en je bent het meestal eens met wat mensen plaatsen. Wat we zien op het internet is in één lijn met onze mening, met wat wij vinden en met onze interessegebieden. De digitale reeks aan instructies van de algoritmes kunnen nu bijna oneindig zijn, waardoor we niet exact weten hoe ze werken. Ze zijn weinig transparant en onvermijdelijk.

Kritiek en effecten

Deze bevindingen lijken zeer angstaanjagend, maar ze zijn niet volledig correct. In de eerste plaats is er maar weinig bewijs voor het bestaan van de ‘filterbubbel’. Mensen en dus jongeren komen niet enkel in contact met de politiek via de sociale media, ze bespreken het ook regelmatig met anderen. Men leeft dus niet volledig binnen dat algoritme. Er zijn veel andere mediabronnen die ook en veel meer invloed hebben op hoe je media inneemt.

Daarnaast wijzen onderzoekers erop dat selectie van informatie op basis van eigen voorkeuren niet nieuw is. In een artikel van Linda Duits werd er een voorbeeld gegeven: ‘Al in de jaren ’40 werden er data verzameld over hoe Amerikaanse Democraten meer blootgesteld werden aan de Democratische campagne. In Nederland is het voorbeeld van Verzuiling essentieel: katholieken lazen katholieke kranten, luisterden naar katholieke radio en gingen naar katholieke voetbalclubs. Desondanks blijkt dat mensen die zelf selectie toepassen, toch in aanraking komen met media-inhoud waar ze het niet mee eens zijn.’ Als laatste wordt er beweerd dat de personalisering op nieuwssites nog in de kinderschoenen staat. De homepagina’s zijn dus doorgaans voor iedereen gelijk.

De effecten van filterbubbels zijn er dus wel, maar ze zijn niet zo groot als men beweert. De filterbubbel wordt nu heel hard gehypet maar het is zeker niet zo eenvoudig als gezegd wordt.

Het grootste argument tegen het fenomeen van de filterbubbel is dat mensen niet in een bubbel leven, maar in verschillende bubbels en die informatie wordt vaak overlapt. Zo kunnen jongeren in een socialistische bubbel leven maar tegelijkertijd leven ze bijvoorbeeld ook in een Startrekbubbel met vele andere jongeren die dan weer andere bubbels hebben. Je kan het eerder zien als een bepaald perspectief dat je aanneemt en niet in een teruggetrokken bubbel zitten. Dit perspectief is veel meer de realiteit dan dat mensen zich zouden terugtrekken. Nu is de informatie meer gefragmenteerd en is er meer overlap. Doordat er geen duidelijke afgebakende bubbels zijn, overheerst de mening van een groep niet. We zijn wel meer geneigd om iets te geloven dat in lijn ligt met wat we al dachten. Mensen ontkennen eerder informatie dan ze te vermijden.

Gevolg

Hoewel de filterbubbel niet zo’n groot effect heeft als dat er verteld wordt, moet er wel zeker rekening mee gehouden worden. Volgens mevrouw Kruikemeier mag dit fenomeen niet blindelings genegeerd worden. Het grootste probleem met filterbubbels is dat ze niet transparant zijn. Je weet niet wat er wordt aangepast door het algoritme. Het nieuwsartikel dat je online te zien krijgt, wordt aangepast aan jouw politieke voorkeur. Het is niet meer de vraag of je een bepaald nieuwsbericht wel of niet te zien zal krijgen. Je kan zelf de keuze soms niet meer maken als je via het internet surft.

Taak opvoeder/onderwijs

Het is belangrijk dat leerkrachten en opvoeders zich van deze bubbels bewust zijn en dat ze de jongeren er ook van bewust maken. Jongeren moeten ervoor zorgen dat ze zelf kritisch zijn tegenover media en andere informatiebronnen.

Bibliografie

Duits, L. (2016, mei 24). Weinig empirisch bewijs voor filterbubbels. Opgehaald van Denieuwereporter: http://www.denieuwereporter.nl/2016/05/weinig-empirisch-bewijs-voor-filterbubbels/

Duits, L. (2016, mei 6). Weinig empirisch bewijs voor filterbubbels. Opgehaald van Dieponderzoek: http://www.dieponderzoek.nl/weinig-empirisch-bewijs-voor-filterbubbels/

Mediadoctoren. (2017, februari). Onder mediadoctoren filterbubbel 50. Opgehaald van Podcastluisteren : http://podcastluisteren.nl/onder-mediadoctoren-filterbubbel-50/

Wikipedia. (2017, januari 12). Informatieluchtbel. Opgehaald van Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Informatieluchtbel

 

 

Hoe ziet de ‘ideale’ wereld eruit volgens jongeren? Een verkenning!

Door: Sandy Coppens, Marinela Demaj, Jolien Peeters, Elodie Ravaut, Nick Van Bouwel

De maatschappij waarin we vandaag leven stelt hoge eisen. De snelle evolutie kan zorgen voor een verhoogde druk bij jongeren. We leven in een wereld die constant vernieuwd en snel evolueert. Kunnen jongeren zich schikken in deze snel veranderende omgeving? Jongeren staan dagelijks in contact met de buitenwereld via social media, dit staat de dag van vandaag centraal in hun leven Het is gebleken dat de generatie die geboren is tussen 1995 en 2012, zich geen wereld meer kan herinneren zonder online communicatie. Ook scholen zouden de prestatiedruk verhogen op jongeren, dit kan mee zorgen voor ontevredenheid. (Sieckelinck, 2009)

Jongeren lijken fijngevoeliger voor idealen. Ze zouden dankzij de nieuwe communicatiemiddelen, zoals internet en sms, kritischer geworden zijn. Idealen zijn voorstellingen in de verbeelding. Het kunnen fantasieën zijn of verbeeldingen van een bepaalde situatie.  Het koesteren van idealen maakt ook engagement mogelijk om ergens om te geven en ergens voor te staan. Met dit in ons achterhoofd bevragen we jongeren tussen de 17 en 24 jaar, hoe zij hun ideale wereld zouden omschrijven?
(Ahlers, 2016; Sieckelinck, 2009)

Wat zouden jongeren willen veranderen aan de wereld van vandaag? willen ze deze graag volledig anders zien of kunnen ze het vinden met de wereld waarin we nu leven?

Bij het horen van het woord ‘ideaal’ geven we jongeren de vrijheid en de kans om even weg te dromen van de realiteit. We probeerden een zo groot mogelijk publiek te bereiken door middel van de Facebookpagina: Viral challenge: the ideal world. Ook hebben we enkele mensen uit onze nabije familie en vriendenkring persoonlijk aangesproken en hebben we een oproep gelanceerd via de radiozender Q-music in de hoop een zo breed mogelijk jongerenpubliek te kunnen bereiken.

(meer…)

Wat is het effect van digitalisering in het onderwijs op de fijne motoriek van handschrift? Longread

Auteurs: Loes Luyckx – Roy De Coninck – Eve Zeghers – Simon Van Wambeke – Simon Debbaut

De digitalisering van het onderwijs is de laatste jaren ontaard in een wedloop in het gebruik van de meest vooruitstrevende technologie in het klaslokaal. De eerste slachtoffers waren het krijtbord en de retroprojector, die werden geweerd ten koste van smartboards en beamers. De aanwezigheid van een smartboard, hoewel reeds algemeen verspreid, hangt nog steeds af van de financiële prioriteiten van de school. De beamer is vandaag alom tegenwoordig.

Het is niet enkel de leraar die profiteert van deze evolutie. Leerlingen krijgen al geruime tijd toegang tot computerklassen en ook steeds vaker de kans om algemene vakken te volgen op een tablet. Het toestel laat hun toe om te noteren, maar ook om oefeningen te maken en opzoekingswerk te verrichten.

Zullen de leerlingen van de toekomst nog daadwerkelijk schrijven?

Het is niet ondenkbaar dat technologie een blijvende plaats inneemt in het onderwijs en meer en meer taken gaat overnemen. Op deze manier zou met de hand schrijven stilaan uit de dagdagelijkse routine van leerlingen kunnen verdwijnen. Als een vakantie lang niet schrijven je in september al een raar gevoel kan bezorgen in je pols, wat moet het dan niet zijn als we helemaal niet meer leren handschrijven? Dit zal ongetwijfeld ook gevolgen hebben op onze fijne motoriek. Zullen we via een tablet ook op een of andere manier diezelfde motorische vaardigheden kunnen blijven oefenen?

Mogelijk zal in de toekomst een handschrift geen vereiste meer zijn voor hoog gekwalificeerde jobs, gezien werknemers er enkel op computers werken. Finland, pionier in innovatief onderwijs, maakt komaf met lessen in schoonschrift en geeft de voorkeur aan typen op de computer (The Guardian, 2015). Leerlingen leren er typen vanaf de start van het lager onderwijs. Dit wordt weldra ook realiteit voor andere Europese landen. Het algemene gevoel dat bij onderwijsministers leeft is dat men niet wil achterblijven in het moderniseren van onderwijs.

Wat werd er al onderzocht sinds de opkomst van digitale media in het klaslokaal?

Reeds in 2005 onderzocht een team onder leiding van Marieke Longcamp letterherkenning bij kinderen van twee en vier jaar oud die gevraagd werden letters te schrijven of ze in te toetsen. Uit resultaten bleek dat de kinderen de letters beter herkenden na het schrijven ervan, zelfs tot drie weken na het oefenen. Hieruit bleek dat de beweging van de hand een cruciale rol speelt. Zo leidt men af dat met de hand schrijven het visueel herkennen van letters verbetert. Schrijven is immers een opeenvolging van fijne bewegingen die de letter vormen, terwijl een toetsenbord slechts één vingerklik vereist. Net door die fijne handbewegingen wordt het brein aangesproken en het geheugen geoefend. Daardoor wordt een complexer geheugenspoor in ons brein gegroefd. Zo beklijft ook de inhoud langer.

Een feit is dat ons brein anders reageert op papier dan op een scherm. Ons brein functioneert ook anders als we schrijven dan wanneer we typen. Uit een onderzoek van neurowetenschapper Karin James (2010), is op een MRI-scan te zien dat wanneer kinderen schrijven, er delen van onze hersenen actief zijn die verantwoordelijk zijn voor beweging. Ook bij het lezen wordt de letterherkenning via het motorisch geheugenspoor geactiveerd. Hierdoor kan het lezen ook worden opgekrikt. Deze voordelen heeft typen niet.

Zo blijkt dat schrijven met de hand andere effecten heeft op cognitieve functies. Typen op een toetsenbord spreekt dan weer andere functies aan. Taal wordt echter het meest actief aangeleerd via handschrift. De motorische programma’s in onze hersenen waarmee je letters schrijft worden enkel aangeleerd door de letters met de hand te vormen. Als gevolg van dit actief schrijven ga je achteraf de letters beter kunnen lezen en interpreteren als woorden.

Daarmee is echter niet gezegd dat kinderen die niet zouden kunnen schrijven niet zouden kunnen lezen. Daar bestaat dan weer geen enkel bewijs over. (Brouwer, 2015)

De meningen zijn nog steeds verdeeld wanneer men in vraag stelt of de technologie al dan niet een vooruitgang is. Zo spreken Clive Thompson en Manfred Spitzer elkaar regelrecht tegen. Thompson beweert dat de technologie ons slimmer maakt omdat we op een ander niveau moeten denken. Spitzer zegt dan weer dat we steeds dommer worden en durft het zelfs ‘digitale dementie’ noemen. We moeten niets meer onthouden, want dat doet de computer voor ons.

The pen may be mightier than the keyboard’

Ook het effect van handschrift bij lagere schoolkinderen is niet mis te verstaan. Kinderen in het tweede, vierde en zesde leerjaar, al dan niet met schrijf-motorische problemen, bleken meer en sneller te kunnen schrijven bij het gebruiken van een pen. Het onderzoek uit 2009 onder leiding van Virginia Berninger, professor opvoedingspsychologie aan de Universiteit van Washington, keek naar de mogelijkheden van kinderen om het alfabet, zinnen en een essay te schrijven door gebruik te maken van een pen of een toetsenbord. Kinderen schreven consequent beter essays met een pen. Alleen voor het schrijven van het alfabet was het toetsenbord een nuttigere tool dan de pen. Bij het schrijven van zinnen waren de resultaten niet eenduidig. Wanneer de kinderen van de drie verschillende graden een pen gebruikten, konden ze wel langere essays schrijven en ook sneller. Daarenboven blijkt dat leerlingen uit de tweede en derde graad, wanneer ze een pen gebruikten, volledigere zinnen konden schrijven zonder achteruitgang van de spelling.

Morgen bekijken we in een tweede longread wat dit allemaal kan betekenen voor de eindtermen…

Bibliografie

BRONKHORST, J. (2000). De digitale school – computergebruik op de basisschool. Baarn: Bekadidact.

BROUWER, J. (2015, September 2). Schrift of scherm: hoe leren kinderen het meest? Opgehaald van eoswetenschap: http://eoswetenschap.eu/artikel/schrift-scherm-hoe-leren-kinderen-het-meest

FRANCKEN, J. (2013, Oktober 15). Schrijven versus typen: wat zegt de neurowetenschap? Opgehaald van kennisnet: http://4w.kennisnet.nl/artikelen/2013/10/15/schrijven-versus-typen-wat-zegt-de-neurowetenschap/

O4NT. (2013). Onderwijsprofessionals. Opgehaald van O4NT: http://o4nt.nl/onderwijsprofessionals

ONSONDERWIJS. Van leRensbelang: discussier mee over de eindtermen van morgen. Opgeroepen op maart 20, 2016, van Nieuws onderwijs en Vorming: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2016/02-03-maatschappelijk-debat-eindtermen.htm

RUSSEL, H. (2015, Juli 31). Signing off: Finnish schools phase out handwriting classes. Opgehaald van The guardian: http://www.theguardian.com/world/2015/jul/31/finnish-schools-phase-out-handwriting-classes-keyboard-skills-finland

SCHWARZ, J. (2009, September 16). The pen may be mightier than the keyboard. Opgehaald van washington: http://www.washington.edu/news/2009/09/16/the-pen-may-be-mightier-than-the-keyboard/

VALKENBURG, P. (2014). Schermgaande jeugd: over jeugd en media. Amsterdam: Prometheus.

Werkgroep ICT VVKBaO (2008). Werken aan de realisatie van ICT-leerplandoelen en –eindtermen: een concept, voorbeelden van ICT-integratie in onderwijsleeromgevingen en concretisering van ICT-doelen. Brussel. Opgeroepen op 16 april 2016 via http://media.vsko.be/vademecumict/pdf/2008-05-15_concretisering_eindtermen.pdf

Cultuureducatie in de Eindtermen – longread 2

Auteurs: Annelies Houtteman, Scarlett Henrist, Lisa Pister en Karolien De Roos

Deze longread bouwt verder op deze longread.

‘Met de jaren is de diversiteit van de vakoverschrijdende eindtermen toegenomen. Dit wijst erop dat er vanuit de maatschappij steeds meer een beroep wordt gedaan op het onderwijs om jongeren competenties in zeer uiteenlopende domeinen bij te brengen. Toch schiet het onderwijs, in onze ogen, nog te kort op vlak van cultuureducatie.’ (Vlaanderen, 2010)

Cultuureducatie is een abstract begrip. Veel leerkrachten zullen zuchten wanneer ze dit omslachtig begrip horen. En dat is jammer. Wij zijn van mening dat dit helemaal geen abstract iets zou moeten zijn. Jongeren hebben nood aan een zicht op cultuur. Dit kan een ruimere invulling krijgen, zoals op politiek of maatschappelijk vlak, maar telkens opnieuw vertrekkend vanuit een artistieke benadering.

In de VOET’en, de recentste versie uit 2010, komen er een aantal cultuurgerichte begrippen en doelen aan bod. In de stam worden woorden zoals ‘creativiteit’, ‘kritisch denken’ en ‘mediawijsheid’ als sleutelcompetenties aangehaald. Deze begrippen lenen er toe om ook artistieke en culturele einddoelen te stellen. In de verschillende contexten komt er ook af en toe een doel bij die wel aandacht geeft aan cultuureducatie, bijvoorbeeld:

  • Herkennen de impact van cultuur- en kunstbeleving op het eigen gevoelsleven en gedrag en dat van anderen. (mentale gezondheid)
  • Beargumenteren, in dialoog met anderen, de dynamiek in hun voorkeur voor bepaalde cultuur- en kunstuitingen. (sociorelationele ontwikkeling)
  • Gebruiken cultuur- en kunstuitingen om begrip op te brengen voor de leefwereld van anderen.
  • Beargumenteren, in dialoog met anderen, de dynamiek in hun voorkeur voor bepaalde cultuur- en kunstuitingen. (socioculturele samenleving)
  • Gebruiken cultuur- en kunstuitingen om begrip op te brengen voor de leefwereld van anderen. (socioculturele samenleving)

Er is wel degelijk rekening gehouden met cultuureducatie, maar ook hier blijft dit voor ons te abstract en gering. We moeten ook rekening houden met de fel veranderde wereld. De grenzen tussen landen vervagen en de klas van vandaag zal binnen vijf jaar niet meer bestaan. De scholen worden meer multicultureel, dus waarom houden we daar geen rekening mee? De leerlingen in de klas van morgen komen uit verschillende culturen, hebben verscheidene achtergronden, waarom zouden we hier als leerkracht niets mee doen?

Deze multiculturele gerichtheid kan mooie kansen bieden om alle leerlingen meer culturele wijsheid bij te brengen. De ideale media daarvoor kan kunst zijn. Aan de hand van artistieke en creatieve achtergronden zou je leerlingen bewuster kunnen maken van deze verscheidenheid aan culturen.
We kunnen ervoor zorgen dat nieuwe eindtermen voor creatieve vorming meer gericht zijn op de cultuuropvoeding vanuit het perspectief van de kunst.

Net als de meeste doelen zijn ook deze redelijk ruim en abstract geformuleerd. Wij hopen om een aanleiding te geven tot het vormen van concretere doelstellingen, die voor leerkrachten makkelijk hanteerbaar zijn.
Wij gaan op zoek naar eindtermen waar we eveneens rekening zullen zouden met behoud van een voldoende brede basisvorming en ogen op een haalbaar pakket met duidelijke eindtermen.

Het ordeningskader met de thematische beschrijving van de eindtermen:

longread cultuur

In deze contexten vindt men eindtermen terug die essentieel en typisch zijn voor de betrokken context.


Context 5, 6 en 7 bevatten eindtermen die te maken hebben met de politiek-juridische, socio-economische en socioculturele dimensies van de samenleving.
Jongeren zijn niet alleen ‘burgers in wording’, maar maken ook tijdens hun schooltijd deel uit van de samenleving en van de school die daar een afspiegeling van is.

Bij/in deze laatste contexten zouden wij graag een plaats vinden voor onze cultuureducatie.
Zoals we in het begin al eens aangehaald hebben zou dit een ruimere invulling kunnen krijgen, zoals op politiek of maatschappelijk vlak, maar telkens opnieuw vertrekkend vanuit een artistieke benadering.

Dan doelen we vooral op context 7, waar er verwezen wordt naar hetgeen maatschappelijk en onderwijskundig belangrijk wordt geacht voor het samenleven in een multiculturele en democratische samenleving als de onze.

1. de samenlevingscultuur als een dynamisch gegeven en als resultaat van een sociale interactie tussen mensen en groep en beleid;
2. samenleving als realiteit van diverse subgroepen en van onderlinge verschillen tussen mensen;
3. herinneringseducatie als middel om vanuit een leerzaam omzien naar negatieve en positieve gebeurtenissen uit het eigen verleden en dat van samenlevingen elders in Europa of de wereld, te leren hoe het met de samenleving verder moet;
4. betekenis van conflicten, zowel mondiaal als cultuurgebonden;
5. kunstgerelateerde cultuurexploratie als onderdeel van de sociale identiteit, sociale interactie en maatschappelijke participatie. Door bewust om te gaan met kunst, media en erfgoed vat krijgen op zowel individuele als sociale leerprocessen, is hierbij de boodschap.

Nieuwe eindtermen die we willen voorstellen:

  1. De samenlevingscultuur bestuderen uit verschillende culturen als een dynamisch gegeven en als resultaat tussen mensen en groep en beleid;
  2. Kunstgerelateerde cultuurexploratie om de samenleving als een mondiaal gegeven en als realiteit van diverse groepen en subgroepen en van onderlinge verschillen tussen mensen aan te kaarten;
  3. Herinneringseducatie als middel om vanuit een leerzaam omzien naar negatieve en positieve gebeurtenissen uit het eigen verleden en dat van samenlevingen elders in Europa of de wereld, te leren hoe het met de samenleving verder moet.
    4. De culturele achtergrond van verschillende leerlingen verkennen via artistieke en creatieve wegen, waarbij kunst een meerwaarde biedt.
  4. De impact van de multiculturele samenleving begrijpen en de voor- en nadelen hiervan kunnen aanbrengen.
  5. Politieke en sociale achtergronden van verschillende culturen aanbrengen bij leerlingen, met respect voor de bepaalde cultuur.

Cultuur is een belangrijk aspect van onze samenleving, alsook voor alle andere samenlevingen. Juist daarom vinden wij het zo belangrijk dat hier met de nodige aandacht naar gekeken wordt. We hopen dat de  culturele component niet vergeten wordt in de toekomst. De  toekomst die veel te bieden zal hebben op vlak van cultuurverscheidenheid, dus waarom er niet meteen ons werk van maken.

Bronnen:
Vlaanderen, O. (2010). /curriculum/publicaties/voet/voet2010.pdf. Opgehaald van http://www.ond.vlaanderen.be: http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum/publicaties/voet/voet2010.pdf